De Standaard 1 februari 2020

Voor de allereerste keer krijgt de wereldberoemde Duitse fotograaf Wolfgang Tillmans een solotentoonstelling in België. In Wiels kreeg hij carte blanche en drie verdiepingen te zijner beschikking. JOZEFIEN VAN BEEK

DE WAARHEID VOLGENS WOLFGANG TILLMANS

Kijk maar, je ziet niet wat je ziet

        ‘Congo night’, 2018. Wolfgang Tillmans

Volgend jaar krijgt hij een grote retrospectieve in het Museum of Modern Art in New York. Ook in Wiels wordt teruggekeken, maar de tentoonstelling Today is the first day focust vooral op Wolfgang Tillmans’ meer recente werk. De expo opent met een installatie van foto’s die hij maakte tussen 1986 en nu. Ze hebben verschillende onderwerpen, formaten en technieken, sommige zijn ingekaderd, andere zijn gewoon met klemmen aan de muur gehangen. ‘Deze kamer is een introductie op de verschillende aspecten van mijn fotografie’, zegt de kunstenaar.

Zo is het tweeluik van grijze T-shirts – het ene opgefrommeld, het andere niet – een onderzoek naar materialiteit. Visueel is er een link met de donkere rivier op het beeld Congo night. Verder hangen abstracte beelden tussen figuratieve. Er is een monumentaal afgedrukte foto van een tuin, met diep donkergroene tinten. ‘Voor mij is dit beeld een onderzoek naar abstractie. Van de onscherpe, gekleurde vlekken op de voorgrond maakt ons oog vanzelf bloemen. Het brein verbindt wat het ziet aan de realiteit buiten dit beeld.’

De installatie werkt goed als geheel, maar de individuele beelden zijn even belangrijk. Elke foto is drager van een verhaal en betekenis. Tillmans staat stil bij een foto van een centrum voor seksuele gezondheid in Kenia. Hij fotografeerde een bureau met een replica van een vulva, een ‘family planning chart’ waarop voorbehoedsmiddelen gekleefd zijn, reclame voor condooms. ‘Ik zag schoonheid in de kleuren en de compositie van wat ik fotografeerde. Maar die vond ik in een omgeving die vijandig is voor vrouwen, waar het taboe is om homoseksueel te zijn.’

L’origine du monde

‘De naziperiode was naar mijn gevoel ver weg, maar ik word me er steeds meer van bewust dat het vlakbij is. De geschiedenis is nu’ (WT)

Seksuele gezondheid – en vrijheid – is een thema dat hem na aan het hart ligt. Op een van zijn beroemdste foto’s is te zien hoe zijn hand die van zijn vriend Jochen Klein – ziekenhuismonitor aan de wijsvinger – vasthoudt. Niet lang daarna stierf Klein aan aids. ‘Ik behoor tot de eerste generatie die er vrij voor kon uitkomen homoseksueel te zijn’, zegt Tillmans. Hij legde zijn leeftijdsgenoten – Generation X – vast op een manier waarop dat nooit eerder gebeurde: open en eerlijk. Zoals hij vertelde aan de The New York Times: ‘Ik wilde hedendaagse foto’s maken, kunst maken die je deed voelen hoe het is om nu te leven’. Hij fotografeerde de Europese club- en ravecultuur, zwetende lichamen en verwijde pupillen, naakte lichamen en liefde. Hij publiceerde in magazines als i-D en Spex, maar stelde ook tentoon in galeries en musea. Hij brak de grenzen van de fotografie wijd open en werd daarvoor in 2000 beloond met een Turner Prize, als eerste niet-Britse kunstenaar én als eerste fotograaf.

Een deel van de tentoonstelling in Wiels noemt Tillmans ‘Lustgarten’. ‘Het is een ruimte van vriendschap en vrije tijd, van je vrij voelen in je lichaam’, zegt hij. ‘Tegenwoordig zijn er weer allerlei machten die die vrijheid willen inperken.’ Hier toont hij onder meer de eerste video die hij ooit maakte, Self-study uit 1987. ‘Een exploratie van mezelf, opgenomen met een VHS-videocamera in extreme close-up.’ Verder hangt hier een groot portret van Chloë Sevigny met pin-upoutfit en elektrische ­gitaar, en ernaast een portret uit 2015 van Nadezhda van Pussy ­Riot. Maar ook: drie naakte mannen in zwart-wit die vredig liggen te slapen, en Nackt, Tillmans’ versie van L’origine du monde.

Sneeuw

‘Lutz & Alex, climbing tree’, 1992. Wolfgang Tillmans

Een verdieping lager verkent Tillmans de geschiedenis en de relativiteit van tijd. Hij fotografeerde postzegels uit verschillende periodes: we zien de beeltenis van Hitler gekleefd op een enveloppe uit 1944, daarnaast plaatste Tillmans een postzegel van Amnesty International van dertig jaar later. ‘De naziperiode was naar mijn gevoel ver weg,’ aldus Tillmans, ‘maar ik word me er steeds meer van bewust dat het vlakbij is. De geschiedenis is nu.’ Maar het kan ook in tegengestelde richting evolueren: in de catalogus die de tentoonstelling begeleidt, staan enkele bedenkingen die Tillmans opschreef: ‘Martin Luther King Jrs I have a dream-speech vond plaats 27 jaar voor 1990. 27 jaar ná 1990, werd Donald J Trump ­beëdigd als president van de Verenigde Staten.’

Ook in deze ruimte: een grote print van een sterrenhemel. Astronomie was Tillmans’ eerste passie. ‘Toen ik tien jaar was, raakte ik erdoor geobsedeerd. Dag en nacht tuurde ik naar de lucht. Ik geloof dat het mijn visuele initiatie was: ik leerde observeren. Op deze foto zie je niet duidelijk wat sterren zijn en wat slechts een optische vervorming is. Je moet je ogen vertrouwen en ze tegelijk in vraag stellen. Dat zicht niet absoluut is, leerde ik snel.’

Naast Tillmans’ machtige sterrennacht hangt een kleine foto van zwarte sokken op een radiator. Een intiem detail waar je makkelijk naast kan kijken, maar dat veel zegt. Dat is geestig. Heel geestig.

Hoe je ogen je kunnen bedriegen, toont Tillmans ook met een zeer groot beeld van sneeuw op tv – een beeld dat we in deze digitale tijden niet meer tegenkomen. Het hoort thuis in zijn End of broadcast-reeks, die hij in 2014 maakte in een hotelkamer in Sint-Petersburg. De zwart-witte blokjes blijken, als je ze van dichterbij bekijkt, uit allerlei kleuren te bestaan. Heel vreemd om te zien hoe dit werk verandert afhankelijk van je standpunt.

Cutting edge

                                                 ‘Flatsedge’, 2019. Wolfgang Tillmans

Net zoals alle goede kunstenaars is Wolfgang Tillmans altijd nieuwsgierig gebleven. Eind jaren 80 gebruikte hij de eerste generatie laserkopieerapparaten die grijstinten konden weergeven. ‘Ik merkte dat mechanisch geproduceerde beelden me meer raakten dan wat ik maakte met mijn eigen handen. Ik vergelijk het met elektronische muziek: sommige mensen vinden die koud en afstandelijk, ik houd ervan.’

Dus ging hij foto’s kopiëren, zijn eigen beelden, maar ook krantenknipsels. ‘De kopieermachine was cutting edge, maar ook imperfect: op de kopie zag je allerlei dingen die niet op het originele beeld stonden. Dat roept vragen op: wat is echt, wat is echte informatie en wat is er door de technologie bijgekomen?’

Today is the first day toont drie verdiepingen vol beelden, video’s en geluid. Dat is véél. Net wanneer je een visuele overload dreigt te krijgen, is er een eenvoudige, rustgevende video-installatie met twee schermen. Tillmans filmde zeeschuim. Amper vier minuten lang duurt het, in een loop: schuim trilt in de wind, wordt heen en weer gewiegd door het zeewater, het zonlicht gaat ermee spelen, zodat er een optisch effect ontstaat. Je kan er naar blijven staren. Kijk maar, je ziet niet wat je ziet.

 

__________________________________________________________________

De Morgen 1 februari 2020 

‘Beelden manipuleren is dermate de regel geworden, dat je je een alien voelt als je níét liegt’

Wolfgang Tillmans tijdens de opbouw van zijn expo in het Brusselse Wiels. Beeld Illias Teirlinck

Tussen een show in Tate Modern, een Afrikaanse tournee en een retrospectieve in het MoMA door, strijkt Wolfgang Tillmans (51) neer in Brussel. Wij spraken met de Duitse kunstenaar tijdens de opbouw van de meest opwindende expo van het voorjaar. ‘Hier kan ik lekker experimenteren.’

DANNY ILEGEMS, februari 2020

Wolfgang Tillmans is een man naar wie je alleen maar kunt opkijken. Ook fysiek is hij erg groot. Maar vestimentair heeft hij zich nog niet aangepast aan zijn status in de kunstwereld. Hij draagt nog steeds het uniform van de clubbers van zijn generatie: Adidas-sneakers, een zwart-wit-groen-gestreepte hoodie van hetzelfde merk, regular fit jeans. Het is één uur ’s middags en de superster van de hedendaagse kunst is net gearriveerd in Wiels.

De opbouw van een Wolfgang Tillmans-tentoonstelling duurt gemiddeld twee weken. Samen met drie medewerkers die met hem uit Berlijn zijn overgekomen, dirigeert en controleert de kunstenaar elk onderdeel van het proces,. Elke dag is hij aanwezig. En elke nacht.

“Ha, hoe ben je dat te weten gekomen?”, lacht hij. “Mijn werkwijze begint blijkbaar mythische proporties aan te nemen. Nu, het is hier ’s nachts geen geheime samenzwering, hoor. En een wild feest al evenmin. Ik beschouw mezelf als een installatiekunstenaar. De concentratie die ik nodig heb om tot een betekenisvolle en enigszins opwindende presentatie van mijn werk te komen, vind je in kunstinstellingen van enige omvang alleen ’s nachts. Overdag overleg ik intens met de curatoren en de plaatselijke medewerkers, ’s nachts ben ik hier alleen met mijn crew.

(lacht) “Tegenwoordig krijg ik overal carte blanche. Ze denken dat ze me daar een plezier mee doen, maar eigenlijk is het keihard werken. Heel wat moeilijker in elk geval dan braaf de visie en de instructies van de curatoren volgen. (brede grijns) Stiekem geniet ik er natuurlijk wel van om ’s nachts alles te verhangen en de volgende dag de verbazing op de gezichten te zien. Of het afgrijzen, haha.”

Zal hij in het MoMA in New York, waar hij volgend jaar te gast is, ook in het holst van de nacht mogen ronddwalen, tussen kunsticonen van haast onschatbare waarde? “Dat was mijn voorwaarde”, lacht Tillmans. “En na enige aarzeling heeft de directie van het MoMA ermee ingestemd. In Tate Modern en in de Fondation Beyeler in Zwitserland had ik een sleutelkaart; in het MoMA krijg ik er dus ook een. Ik maak daar geen misbruik van, hè. Ik heb op zo’n moment geen tijd om met iets anders bezig te zijn dan met mijn eigen werk.”

 

‘Lutz & Alex climbing tree’, 1992

 

‘Dit beeld van mijn vrienden heeft veel betekend voor mij. Toen ben ik opgepikt door de kunstwereld. Begin jaren 1990 ging het ineens snel, ja.’

 

Beeld Wolfgang Tillmans

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit is wat u moet weten over Wolfgang Tillmans. Geboren en getogen in Duitsland, in het kleinsteedse Remscheid bij Düsseldorf. Stelde voor het eerst tentoon toen hij 19 was, in een anarchistisch homocafé in Hamburg, waar hij overdag burgerdienst deed in de zorgsector. Ging in 1990 in Bournemouth, Zuid-Engeland, studeren en daarna in Londen wonen. Zijn eerste foto’s werden begin jaren 1990 gepubliceerd in alternatieve lifestyle­bladen als i-DInterview en Index Magazine. Hij sloeg daarmee een brug tussen de jeugdcultuur van de jaren 1990 – de technocultuur, de gay-cultuur, seks, drugs en afterparty’s – en de kunstwereld.

Zijn eerste fotoboek bij Taschen dateert van 1995. In 1997 stierf zijn vriend, de schilder Jochen Klein, aan de gevolgen van aids. In 2000 won hij als eerste fotograaf en als eerste niet-Brit de prestigieuze Turner Prize, de belangrijkste onderscheiding voor hedendaagse kunst in het VK. Klom sindsdien gestaag op in de pik­orde van de kunst.

In de jongste powerlist van ArtReview, een jaarlijkse top 100 van de meest invloedrijke figuren in de kunstwereld, staat hij op de 15de plaats – als een van de weinige kunstenaars in een uitgelezen gezelschap van museumdirecteuren, curatoren, galeriehouders en verzamelaars, waar overigens geen Belg in voorkomt. Tegenwoordig opereert Tillmans vanuit Berlijn, al heeft hij nog steeds een pied-à-terre en een studio in Londen. Een grote, unieke foto van Wolfgang Tillmans is duur. Zijn voorlopig veilingrecord staat op bijna 800.000 dollar (voor Freischwimmer #84, 2004).

Wiels-directeur Dirk Snauwaert noemt Wolfgang Tillmans zonder omwegen “een cruciale figuur in de hedendaagse beeldcultuur”. En ook: de kunstenaar die allerlei pasklare ideeën over schoonheid op de helling heeft gezet en die “de esthetiek van nu” mee heeft uitgevonden.

Dirk Snauwaert: “In één museumzaal met werk van Tillmans passeert doorgaans de hele geschiedenis van de 20ste- en 21ste-eeuwse fotografie de revue, van extreem introspectief tot politiek geëngageerd, van amateuristische snapshots tot geënsceneerde glamour, álles gewoon. En wat ik belangrijk vind: het is nooit geforceerd bij hem.

“Op het eerste gezicht lijkt Tillmans maar wat rond te snappen in het luchtledige, banale beeldjes schietend van allerlei nevenzaken. Op straat, op reis, in lege appartementen, in de levens van late tieners en jonge volwassenen. Maar telkens opnieuw raakt hij een snaar en vat hij, op een heel ongedwongen, poëtische manier, een diepere waarheid. Zijn esthetiek op de rand van het triviale, dat is de esthetiek van de Snapchat- en Instagramgeneratie van nu.”

De opening is over een week. Op de tweede en derde verdieping van Wiels hangt een sfeertje dat het midden houdt tussen nervositeit en gemoedelijkheid. Tillmans, licht verend op de luchtkussens van zijn sneakers, lijkt van al wie er in touw is nog het meest relaxed. De basisarchitectuur van de expo wordt al zichtbaar: de meeste grote werken hangen op, de strategische doorkijkjes naar andere ruimtes zijn bepaald, ingekaderde foto’s staan tegen de muren, prints in alle formaten liggen uitgespreid over de vloeren. Alles kan nog.

“Nu wordt het spannend”, zegt Tillmans. “Ik ben heel opgewonden over dit prachtige industriële gebouw en over de ruimtes die ik ter beschikking krijg. De expo zal enerzijds wel een soort oeuvre-overzicht worden waarin alle onderdelen van mijn kunstenaarspraktijk aan bod komen, maar ik ga zeker ook experimenteren. Ik weet dat de Belgische kunstliefhebbers en verzamelaars goed geïnformeerd zijn; veel mensen hier volgen en kennen mijn werk, dus ik denk dat ik me wel iets kan permitteren. Het wordt zeker geen pedagogische retrospectieve. (spreidt de armen) Welkom in mijn laboratorium.”

‘Michael Stipe’, portret van de voormalige frontman van R.E.M. ‘Het is een radicaal andere manier van denken over celebrity-fotografie.’ Beeld Wolfgang Tillmans

 

 

 

 

 

 

 

In een kleine ruimte op de tweede verdieping hangen een paar werken die niet tot het bekende, populaire deel van zijn iconografie behoren: grote prints in zwart-wit die zwemen naar film noir, punkzines uit de late jaren 1970 en vroege schilderijen van Gerhard Richter.

“Het zijn mijn eerste werken”, zegt Tillmans, “ondertussen meer dan 30 jaar oud. Nadat ik als puber wat had zitten klooien met potlood en penseel, en ook een tijd gefascineerd was geweest door mode en zelf kleren had gemaakt, ontdekte ik in 1986, in een copycenter in mijn buurt, een nieuwe machine: de eerste Canon-laserprinter waarmee je foto’s kon kopiëren en afdrukken op heel groot formaat. Maal 400, ik werd er helemaal wild van!

“Ik ging aan de slag met het fototoestel van mijn moeder – ik had er zelf geen – en met beelden uit kranten en tijdschriften. Hoewel de afdrukken cheap leken, van weinig of geen waarde, zag ik er een artistieke kwaliteit in. Ik voelde ook niet de noodzaak om die beelden nog te schilderen, zoals iemand als Richter deed. Foto’s omzetten in schilderijen was in die tijd dé manier om ze te valideren als kunst. Bij mij was het gekopieerde beeld de finaliteit, het begin en het einde van het werk, en geen onderdeel van een collage of een andere vorm van beeldconstructie.

(vertederd) “Ik heb altijd van deze werken gehouden. De jongste jaren laat ik ze systematisch opnieuw opduiken in mijn expo’s. Ik verbaas me er elke keer over hoe relevant ze blijven. Als ik dat van mijn eigen jeugdwerk mag zeggen.”

U was 18 toen u ze maakte. Voelde u zich toen al kunstenaar?

 “Ik voelde me in elk geval geen fotograaf. Het zal u misschien verbazen, maar ik heb niet de minste vorm van opleiding genoten als fotograaf. Bovendien was mijn vader amateurfotograaf. Nog een remmende factor, want als je jong bent wil je natuurlijk niet doen wat je ouders doen. Maar ik was wel geïnteresseerd in beelden. Beelden die mijn eigen gevoelens en mijn eigen tijd uitdrukten.

“Ik dacht toen wellicht meer als een kunstenaar dan als een fotograaf. Maar op school vond men mij in artistiek opzicht middelmatig. Wat zeg ik: beneden middelmaat, ongetalenteerd. (lacht) Mijn erkenning als kunstenaar heeft op zich laten wachten.”

Wolfgang Tillmans: ‘Wat ik zou zijn als ik geen beeldend kunstenaar was?

Altijd een goed begin.

“Ja, hè? Zelf vond ik dat er iets aan de hand was met mijn beelden. Dat er iets van waarde, iets van belang in zat. Ik voelde in elk geval de onweerstaanbare drang ze wereldkundig te maken. Mijn allereerste tentoonstelling, in een artiestencafé in Hamburg, is er vooral gekomen omdat ik maar blééf aandringen. Dat zegt wel iets, denk ik, dat ik op die jonge leeftijd koste wat kost gezien wilde worden. Al dacht ik tezelfdertijd dat ik helemaal niemand was en dat mijn werk helemaal niets voorstelde. Het was nogal dubbel.”

Nauwelijks enkele jaren later was u een internationale hype.

“Ik stuurde ongevraagd foto’s naar i-D, en die werden gepubliceerd. Ik mocht voor hen foto’s nemen op technoparty’s en kreeg op den duur ook reportage-opdrachten. In 1992 heb ik dan die foto gemaakt van mijn vrienden Lutz en Alex die naakt in een boom zitten. (Lutz & Alex climbing tree, red.) Dat beeld heeft veel betekend voor mij. Toen ben ik opgepikt door de kunstwereld. Begin jaren 1990 ging het ineens snel, ja.”

Begrijpt u nu beter waarom dat gebeurde, waarom uw foto’s aansloegen?

“Ik denk dat er twee dingen speelden. Ten eerste was ik niet bang om beelden van mijn tijd te maken. De meeste kunstenaars deinzen daar voor terug, uit schrik om modieus te worden bevonden – hip maar oppervlakkig. Zij willen juist dat hun werk bestand is tegen de tand des tijds. Terwijl ik dacht: als het relevant is voor nu, is dat al heel wat. We zullen wel zien of het over tien jaar nog van belang is. Dat kun je onmogelijk voorspellen. Het beeld zal voor zijn bestaansrecht moeten vechten.

“En dan het grote misverstand. Ik ben niet begonnen bij i-D, hè; ik ben niet via de omweg van de lifestylefotografie in de kunst terechtgekomen. Het is omgekeerd gegaan. Ik ben als beginnend kunstenaar naar de media gestapt met een heel duidelijk doel voor ogen: om mijn zelfvertrouwen en dat van mijn generatiegenoten op te krikken. Het beeld dat mijn vrienden en ik van onszelf hadden, kwam niet overeen met wat daar in de media van werd gemaakt. Ik wilde dat rechtzetten. Ik wilde tonen hoe wij waren, hoe wij onszelf zagen. (denkt na) Ik denk dat ik mezelf heel serieus nam toen…”

Hoezo?

“Kijk naar mijn portretten uit die tijd. Ik was echt kwaad over hoe mijn generatie werd neergezet in de mainstreammedia. De boodschap die ik kreeg als jongere, was: ‘Je bent niet echt wie je denkt dat je bent. Als je ouder en wijzer bent, als je al je domme jeugdidealen kwijt bent, als de drugs uitgewerkt zijn en het feestje achter de rug is, zul je iemand anders zijn.’ ‘Jeugd’ werd gezien als een overgangsfase. Dat is trouwens nog altijd zo. Ik weigerde dat te geloven. Daarom fotografeerde ik jonge mensen – vaak mijn beste vrienden – altijd ten voeten uit, terwijl ze heel serieus in de camera keken. Zeggende: ‘Dit ben ik, ik ben niet gelukkig en niet triest, ik ben een jonge mens in deze tijd, ik ben anders, ik ben méér dan hoe je denkt dat ik ben.’ Het was uitdrukkelijk mijn bedoeling om het de lezer moeilijk te maken om ‘de jeugd’ te typecasten en op te sluiten in de gebruikelijke clichés.”

U was er niet op uit dat uw beelden het eeuwige leven zouden krijgen, en toch lijkt dat te lukken. Bij sommige kunstenaars zie je onmiddellijk uit welke periode welk werk dateert, bij u niet. Je denkt dat een foto van recente datum is omdat je hem nog nooit hebt gezien, en dan blijkt hij in 1995 gemaakt te zijn. Uw beelden worden niet oud. Wat is de geheime formule?

“Iets houdt me tegen om op uw vraag te antwoorden. (aarzelend) Ik denk dat… een zekere tijdloosheid, of een blijvende actualiteit, misschien wel de meest bijzondere kwaliteit is van mijn werk, maar precies daarom praat ik er niet graag over. Misschien glijdt het door mijn vingers als ik het probeer te vatten, als ik de betovering doorbreek.

“Een formule is het zeker niet. Tijdloos zijn is niet iets wat je actief kunt nastreven. (lacht) Ik weet zelfs niet hoe ik dat moet wénsen.”

U wordt wel eens omschreven als de poëet, of zelfs de seismograaf, van het contemporaine leven. Wat vindt u daarvan?

 “Ik word er achterdochtig van. Je kunt als kunstenaar ook vervallen in de geste van de alertheid, hè. Krampachtig de taal van het nieuwe spreken, de uiterlijke tekenen des tijds verwerken in je beelden, uit alle macht hip proberen te zijn, maar in feite oppervlakkig en nep zijn.

(denkt na) “Ik moet toegeven dat ik de tijd altijd erg aandachtig heb geobserveerd. Mijn herinneringen zijn daardoor goed gestoffeerd. Ik weet nog precies wat ik deed in die maand van dat jaar. Ik heb het gevoel dat mijn leven en mijn werk een cirkelvormige beweging maakt, dat alles met alles verbonden is. Er is evolutie, mijn spectrum neemt constant uitbreiding, maar ik keer ook altijd terug naar dezelfde thema’s, en naar de gevoelens die eraan ten grondslag liggen. (lacht) Ik haat het om mezelf te herhalen, maar ik ben soms oprecht verrast dat ik weer bij hetzelfde uitkom, terwijl ik dacht dat ik met iets compleet nieuws bezig was!”

 Zou het kunnen dat uw werk niet zozeer de tijdgeest en de levensstijl vat, dan wel het hedendaagse levensgevóél? De roes van het heden, het zinderen van de tijd?

Lebensgefühl(proeft het woord) In het Duits klinkt dat behoorlijk cheesy. Maar ik begrijp wat je bedoelt… (aarzelt) Nee, het gaat om een diepere, onderliggende waarheid over de tijd waarin we leven. Maar mijn punt is: daar een connectie mee maken, dat kun je als kunstenaar niet forceren. Je kunt de waarheid niet oproepen en vragen om naar buiten te komen. Je kunt er je alleen maar voor openstellen en hopen dat ze zich aandient. En zorgen dat je paraat staat, natuurlijk.

“Ik denk veel na over het begrip ‘geschiedenis’. Toen ik jong was in Duitsland, was de nazitijd amper dertig jaar voorbij, maar dat leek een eeuwigheid, een vervlogen tijdperk waar ik niks meer mee te maken had. Nu ben ik goed dertig jaar bezig als kunstenaar, mijn beginwerken hangen hier op, en het lijkt alsof ik ze gisteren heb gemaakt. Daarom zeg ik: de geschiedenis is nu. Wat we met veel aplomb ‘deze tijd’ noemen, dat is gewoon de optelsom van al onze dagelijkse levens, hoe zinloos en onbetekenend die soms ook mogen lijken. Dat probeer ik in beeld te brengen. Dat is, denk ik, de verborgen boodschap.”

Welke andere kunstenaars bewondert u?

 “Om te beginnen hou ik van kunst. Dat is niet zo evident als het lijkt. Niet alle kunstenaars houden van andere kunstenaars, en zeker niet alle fotografen. Toen ik jong was, hield ik van popart én van popmuziek. Voor mij stonden die op gelijke hoogte. De platenhoes die Peter Saville maakte voor ‘Blue Monday’ van New Order hangt in mijn slaapkamer – als een belangrijk kunstwerk.

“Vandaag kijk ik naar undergroundmagazines én naar schilderijen van oude meesters. Deze week heb ik in Antwerpen zowel de Marcel Broodthaers-tentoonstelling bezocht als het Rubenshuis. Vijfentwintig jaar geleden werd er nog een scherp onderscheid gemaakt tussen hoge en lage cultuur. Ik zweefde daar een beetje tussenin. Sommigen vonden dat ik een brugfunctie vervulde, maar dat kon je evengoed negatief interpreteren: dat ik niet echt voor vol werd aanzien.

“Vandaag zijn die muren goeddeels geslecht, er zijn nauwelijks nog grenzen en hiërarchieën in de kunst. Videogames interesseren mij persoonlijk helemaal niet, maar het genre wordt nu wel au sérieux genomen. Idem voor lofi-films – uit Holly­wood en elders – mode, design, keramiek, tapijten, noem maar op. Potentieel is het allemaal kunst. Mensen van half mijn leeftijd hebben daar niet de minste moeite mee. Dat vind ik sterk.”

 Volgt u de fotografie op de voet? De zwart-wit-traditie, de nieuwe ontwikkelingen?

 “Dat is een geschiedenis van 150 jaar! De traditie – de Magnum-stamboom, zeg maar, met al de heroïek, romantiek en tragiek die daarbij hoort – heeft me nooit echt geraakt. Vandaag respecteer en bewonder ik het werk van iemand als Anton Corbijn, hij deed wonderen voor de artiesten met wie hij werkte, maar wat ik doe is krek het tegenovergestelde, het andere uiterste. Ik probeer op mijn manier recht te doen aan mijn onderwerpen en personages, niet meer en niet minder.

“Dat ‘niet minder’ is belangrijk, want al te vaak werd mijn fotografie weggezet als zijnde koel, afstandelijk, ongeïnteresseerd, accidenteel, shabby en wat dies meer zij. Kom maar kijken in Brussel: dat klopt niet. Het is niet omdat je iemand op een pedestal zet, hem of haar dieper, ouder en wijzer maakt dan hij of zij in werkelijkheid is, en onbereikbaar achter glas zet, dat het beeld vanzelf mooi of juist of belangrijk wordt, hè?”

                                                      ‘6407-35’ uit 2007. Beeld Wolfgang Tillmans

Uw Michael Stipe is de meest gewone Michael Stipe denkbaar. En de meest bereikbare.

 “Ja, maar ik wilde hem ook niet neerhalen of banaliseren, begrijp je? Het is gewoon een radicaal andere manier van denken over celebrity-fotografie. Ik hou van muzikanten, ik bewonder muzikanten, ik heb ze vaak gefotografeerd, ze vormen het landschap van mijn jeugd. Als men mij vraagt wat ik zou zijn als ik geen beeldend kunstenaar was, antwoord ik altijd: muzikant.”

U bént nu ook actief als electromuzikant en dj. Net als in Tate Modern zullen er in Wiels afgescheiden ruimtes zijn waar uw muziek te bekijken en te beluisteren valt. Zit de iconograaf van de eeuwige jeugd met een midlifecrisis?

“Ik wist dat die vraag zou komen, maar u bent de eerste die ze zo botweg stelt. (lacht) Ik maakte muziek toen ik jong was. In 1991 ben ik daarmee gestopt, maar ik ben me altijd muzikant blijven voelen. Vier, vijf jaar geleden heb ik, euh, mijn performatieve kant herontdekt en ben ik ook begonnen met dj’en. Het wordt geaccepteerd van mij, heb ik de indruk. Het wordt gezien als passend bij wat ik doe als kunstenaar.

“Sommige mensen horen muziek bij mijn beelden. Clubbing, party’s, afterparty’s en het bijbehorende hedonisme: het is natuurlijk een terugkerend thema in mijn werk. Maar er is ook een – hoe moet ik dat uitdrukken? – meer filosofische link. Ik heb de valse zekerheden van het sérieux altijd gewantrouwd. En ik heb fenomenen en stemmingen uit de jeugdcultuur, die door de grenswachters van de hoge cultuur te licht en te luchtig werden bevonden, zeer au sérieux genomen. Vanuit een aanvoelen, een overtuiging, dat ook de dingen die mensen ogenschijnlijk voor de lol doen – zoals xtc slikken en urenlang dansen op dreunende techno – diepte en tragiek bevatten.”

Ik las ergens dat u in de jaren 1990 regelmatig naar België kwam om de house- en techno-scene te verkennen.

“Dat is wat overdreven. Ik ben één keer in de Boccaccio in Gent geweest, in 1991, om voor i-D een reportage te maken over de new beat. Ik was me in die periode wel bewust van het bestaan van een bijzondere dance-scene hier: beetje raar, beetje donker, beetje trashy. De new beat was zo uncool dat het cool werd. Ik hield er wel van.

“In Duitsland hadden we toen de eerste golf van Italo-disco. Daar was ik ook wild van. Ik werd ermee uitgelachen op school. Maar in mijn verbeelding zag ik er de tragiek van de Italiaanse huisvrouw bij, wanhopig dansend door het melodrama van haar bestaan. Muziek was zó belangrijk voor mij.”

Politiek is dat de jongste jaren ook. Als activist hebt u campagnes gevoerd tegen de brexit, tegen racisme en nationalisme en tegen het anti-Europese spook dat door Europa waart. Erg succesvol zijn die op het eerste gezicht niet geweest. Bent u teleurgesteld? Bent u pessimistischer geworden?

“Nee, integendeel, ik ben nog steeds een onverbeterlijke optimist. Neem mijn pro-Europese campagne van vorig jaar, waarmee ik de jongeren in Engeland opriep om tenminste te gaan stemmen bij de Europese verkiezingen: een iets hogere opkomst had ik al geweldig gevonden, maar er zijn 10 procent meer jongeren gaan stemmen dan vijf jaar eerder. Een fantastisch resultaat! En een gelukte campagne wat mij betreft.

“Idem voor onze Remain-campagne die we gevoerd hebben: je kunt niet zeggen dat die nutteloos en vruchteloos is geweest, gewoon omdat de uitslag anders was dan we gewild hadden. Als we niets gedaan hadden, was het misschien nog veel erger geweest.

(onverstoorbaar) “Ik geloof heilig in de democratie en in het ‘one man, one vote’-principe. Dat is namelijk het enige wat we hebben. Er zijn weinig dingen die me kwaad maken, maar mensen die beweren dat stemmen niets uithaalt, niets verandert en dus geen belang heeft, kunnen me op mijn paard krijgen. That. Is. So. Wrong. Voor de vrijheden die ik geniet in mijn leven, hebben vorige generaties hard gevochten. En nu moeten we weer vechten! Want het is nogal duidelijk dat de conservatieve backlash van vandaag, het rechts populisme dat zich overal roert, een reactie is tégen de rechten die verworven leken: tegen het feminisme, tegen homorechten, tegen het gelijkheidsprincipe, tegen diversiteit.

‘Layers’, 2018. Beeld Wolfgang Tillmans

“Het is de wraak van de witte, heteroseksuele man die zijn privileges teloor ziet gaan en zijn macht liever niet deelt met wezens die hij inferieur acht. Terwijl het helemaal niet gaat over minder rechten voor hem, maar om meer gelijke rechten voor iederéén. De rechts-populisten van deze wereld ontkennen het bij hoog en bij laag, alsof ze het niet willen weten, maar laten we een kat een kat noemen: racisme en misogynie zijn een belangrijke, verklarende factor voor de Amerikaanse politiek van vandaag en voor een fenomeen zoals de brexit.”

In uw eigen kring, de lgbtq-gemeenschap, krijgt het rechts-populisme naar verluidt ook stevig voet aan de grond. Angst voor de islam zou niet weinig gays naar gespierd en extreem rechts jagen. Merkt u daar iets van in uw omgeving?

 “Ik ben er mij van bewust, ja. (grijnst) De Amerikaanse ambassadeur in Berlijn en zijn partner zijn bijvoorbeeld fervente Trumpianen. Ach, het fenomeen bestond al in de nazitijd, en allicht ook al eerder. Het is niet omdat je gay bent dat je immuun bent voor de verleiding van autoritaire ideeën en racisme. Ik vind dat uiteraard pervers en ziek, want het veronderstelt dat je jezelf, als lid van een minderheid, deconnecteert met nagenoeg alle andere minderheden. Dat vraagt een groot talent voor hypocrisie. Maar let’s face it: de witte westerse gay is natuurlijk ook maar gewoon een witte westerse man. En sommigen van hen zijn bang en boos.”

U hebt eens gezegd dat het grootste probleem van deze tijd de georganiseerde leugen is. Tracht u niet te liegen in uw werk? Zijn uw beelden niet-geïdealiseerde, niet-gemanipuleerde realiteit?

 “Ik speel niet met pixels. Ik manipuleer mijn beelden níét. Ik ben wellicht de laatste fotograaf ter wereld die niet eens weet hoe Photoshop wérkt. (lacht) En nee, ik heb daar geen assistent voor. Wat ik wel doe, op de computer, is parameters zoals contrast en kleurenbalans bijstellen. Dat deed ik vroeger in mijn donkere kamer ook. In feite werk ik nog steeds analoog, zij het op digitale wijze. Op tentoonstellingen van mij hangt voorlopig nog geen bordje met de disclaimer: ‘De beelden die u hier ziet werden níét digitaal gemanipuleerd.’ Maar eigenlijk zou ik het moeten doen, want niemand gelooft me nog. Manipulatie is dermate de regel geworden, dat je je een alien voelt als je níét liegt. Weird.”

Wilt u waarheidsgetrouw zijn?

 “Ja, zeker, maar niet dogmatisch. Authenticiteit is voor mij: eerlijk zijn over je intenties. Als je een extreem gestileerde foto wilt maken van Madonna, met gebruikmaking van alle mogelijke technische en digitale hulpmiddelen, dan is dat je intentie en mag je van mij doen wat je wilt. Mijn intentie is… beelden maken die zo dicht mogelijk komen bij hoe het voelt om door mijn ogen te kijken.”