Begeleid door een heerlijk herfstweer genoten de Middelheim Promotors van een uiterst geslaagde uitstap naar Hombroich, Neuss. 

Drie kunstinstellingen stonden op het programma van deze dag. Natuur, architectuur en kunst zorgden voor een aantrekkelijk en gevarieerd samenspel. Hierbij tonen we enkele sfeerbeelden van een dag die begon in de SKULPTURHALLE van de  Stiftung Thomas Schütte.

Museum Insel Hombroich

Na de Skulpturhalle is de volgende bestemming het Museum Insel Hombroich met zijn 21 hectaren grootte park. Het is ook het parkbos, in combinatie met de her en der verspreide paviljoenen en zonder enige suppoost, dat dit museum toch wel echt speciaal maakt. Eten (sober eten) doen we in de charmante cafetaria met zelfbediening.

Afsluiten doen we met een bezoek aan het waanzinnig mooie gebouw dat de Japanner Tadao ANDO tekende voor de LANGEN FOUNDATION. We maken er kennis met tweede vooraanstaande Koreaanse kunstenaars, met name de 81 jarige Park Seo-Bo en Minjung Kim geboren in 1962.

Stiftung Insel Hombroich en de satelieten, een boeiend geheel. 

De kunstverzamelin  van het Museum Insel Hombroich bij Neuss wordt samen met het Raketenstation Hombroich en het Kirkeby-Feld beheerd door de in 1997 opgerichte Stichting Insel Hombroich. Deze stichting ontstond op initiatief van Karl-Heinz Müller (1936–2007), zoon van een fabrieksarbeider die zich opwerkte tot een succesvol industriemakelaar. Met zijn goed verdiende geld investeerde hij in kunst en kunstprojecten.

Aanvankelijk verzamelde Müller Oost-Aziatische keramische kunstwerken. Later breidde hij zijn focus uit tot moderne en hedendaagse kunst van bijvoorbeeld Hans Arp, Kurt Schwitters en Gotthard Graubner. Toen Müller zijn droom van een museum in de natuur wilde realiseren, stuitte hij aanvankelijk op de nodige weerstand. Of je een rijke vastgoedmakelaar zomaar kon vertrouwen, dat was maar de vraag, zo vond men. Uiteindelijk vond hij in 1982 tussen Holzheim en Kapellen bij Neuss een geschikt gebied voor zijn ideeën. Hij kreeg toestemming om op het deels verwilderde voormalige park, deels voor de landbouw geëgaliseerde rivierlandschap het Museum Insel Hombroich te verwezenlijken.

Ontmoetingsplaats

Maar het museum mocht niet alleen maar een ‘simpele’ presentatie van een kunstverzameling worden. De plannen van Müller gingen veel verder dan dat en waren rijk aan ideologische denkbeelden. Het museum moest een plaats worden waar mensen elkaar door en dankzij de kunst konden treffen. Hombroich zou behalve museum een toevluchtsoord voor kunstenaars moeten zijn, een landschap en plaats voor architectuur en voor literaire, filosofische en muzikale evenementen. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de aspiraties van Müller niet beperkt bleven tot het Museum Insel Hombroich. In 1994 werden ook de vroegere NAVO-raketbasis en het zgn. Kirkeby-Feld aan het areaal toegevoegd.

 

Museum Insel Hombroich: Ga het zien, vertel het niet verder

Kostbare kunstwerken hangen er in paviljoens tussen almaar wildere natuur. Wim Boevink keert na lange tijd terug naar Insel Hombroich, vlakbij Venlo. ‘Het is een edele, louterende omgeving.’ –

Wim Boevink, Trouw, 16 augustus 2019

De parkeerplaats tussen de bomen is matig gevuld. Het is broeierig warm, begin van de middag. Eén kassa staat er in de bescheiden laagbouw. Erachter een oudere dame. Naast haar op de toonbank een handvol publicaties, meest in zwart-wit. Entree tijdens weekdagen 15 euro per persoon. Ik mag met mijn gezin, vrouw, twee dochters, een gezinskaart van 35 euro. “Ja, ziet u, er zit ook een lunch bij in”, zegt ze.

Ruim dertig jaar bestaat in de buurt van Neuss in Noord-Rijnland-Westfalen, het museumeiland Hombroich. Karl-Heinz Müller, rijk geworden met de handel in onroerend goed, kocht dit areaal van zo’n 20 hectare in het begin van de jaren tachtig. Het omvatte een eilandje in een bocht van het riviertje de Erft – met erop een negentiende-eeuwse villa, een vervallen orangerie en wat oud geboomte – en een omliggend boerenland van weiden en velden. Hier wilde hij zijn idylle vestigen: een natuurpark met paviljoens voor zijn kunstcollectie, een dialoog tussen kunst, architectuur en natuur. Voor de bouw van de paviljoens riep hij de hulp in van kunstenaar Erwin Heerich; de ordening en opstelling van zijn collectie vertrouwde hij toe aan de kunstenaar Gotthard Graubner; de herinrichting van het terrein lag in handen van de landschapsarchitect Bernhard Korte.

 

Zo begint het. Met hooggestemde idealen.

Kapellen in het landschap

Heerich bouwt geen paviljoens, hij ontwerpt ‘begaanbare sculpturen’ of ‘kapellen in het landschap’, een verwijzing naar het bijna sacrale karakter van de onderkomens voor de kunst, met hun dak van glas, hun strakke buitenmuren van gebruikte baksteen en hun witgepleisterde binnenwanden. Graubner bedenkt een tentoonstellingsconcept dat toen buitengewoon was. Hij mengt per zaal de objecten zonder tekstbordjes of informatie: werken van Gustav Klimt, Alexander Calder en Hans Arp, Yves Klein, Lovis Corinth en Alberto Giacometti, Rembrandt en Kurt Schwitters. Twintigste-eeuwse schilderkunst naast beelden van de Khmer en Chinees terracotta.

Er bestaat in de kunst geen hiërarchie. Men is geheel en al overgeleverd aan de eigen waarneming. Eromheen boetseert Korte de begroeiing, maakt nog een arm in de Erft, creëert terrassen en vijvers met rietkragen, plant bomen en struiken aan en een groot perk met vaste planten. De kapellen van Heerich moeten verdwijnen in het groen, als gaan ze op in de natuur.

Radicaal is de omgang met de kunst: de paviljoens zijn deels onverwarmd – in sommige kan de vloerverwarming in de winter ten hoogste 16 graden bereiken – en het dag- en zonlicht valt vrijelijk naar binnen. Niet zelden staan de deuren, ook bij regen en wind, gewoon open.

Lunch inbegrepen

Dit past in de filosofie van Müller: net als mensen hebben ook kunstobjecten een eigen tijd van leven. Voor bezoekers ontwerpt Heerich een cafetaria­gebouw, waar men de wandeling kan onderbreken voor een lunch, de lunch die dus bij de entreeprijs is inbegrepen. De cafetaria voorziet in een sober, voedzaam buffet. Zuurdesembrood, boter, jam, kruidenzout, aardappelen, reuzel, kwark, appelmoes. Daarnaast bronwater, thee en koffie. We hebben onze dochters niet gewaarschuwd. Ook zij waren hier eerder, maar te klein om het zich te herinneren. Ik heb ze ernstig verteld dat het park onder een koepel ligt waarbinnen geen bereik bestaat voor mobiele telefoons.

Er dringt hier geen signaal naar binnen. Ze reageren met ongeloof. Helaas schiet mijn vrouw in de lach.Ik verheug me op de eerste sensatie: de afdaling naar het landschap. We hebben onderweg gezien wat mensen met een landschap kunnen doen. Het oorspronkelijke boerenland met zijn velden en akkers is niet ver hiervandaan opengereten door grote baggermachines voor de winning van bruinkool, complete dorpen verslindend met kerken, begraafplaatsen en al.

n.

IJsvogel

Maar hier dalen we van een helling af in een oase, langs water waarover een ijsvogel scheert, over smalle paden van grind, tot we bij een eerste bouwwerk komen, een torengebouw van baksteen, metaal en glas, wit van binnen en hoog, met een tegelvloer van marmer. Er zijn glazen deuren aan vier zijden, elk een blik openend naar een pad dat in het groen verdwijnt.

We blijven even in de lege ruimte, een wassing voor de geest, maar ook omwille van de bijzondere akoestiek. We treffen het park aan op een warme dag na een periode van extreme hitte, over het water van de vijver ligt een wazige laag. Het hoofdpaviljoen, het Labyrint, een raamloos vierkant van 40 bij 40, afgeschermd door hoge haagbeuken, is helaas gesloten vanwege een renovatie. Delen van de collectie zijn tijdelijk in andere paviljoens ondergebracht.

We spreken daarover met Frank Boehm, die namens de Stichting Insel Hombroich, sinds vier jaar de dagelijkse leiding in handen heeft. Van oorsprong architect heeft hij een innige relatie opgebouwd met de kunst, maar krabde zich bij zijn aantreden wel achter de oren over de conservering ervan in Hombroich.

Toen Müller in 2007 stierf, liet hij een stichting na met een statuut waarin werd bepaald dat het cultuurpark zo zou worden bewaard als hij het had achtergelaten. Maar Boehm zag zich voor het dilemma gesteld de kunst te moeten beschermen tegen de elementen zonder de paviljoens met klimaatregelingen aan te tasten.

Verkleurde Cézanne

Hij vertelt van een werk van Francis Picabia dat maar een meter van de ingangsdeur af hing, een deur die op een herfstige dag open was blijven staan, terwijl het naar binnen regende. “Een werk van een miljoen.” Ook waren er tekeningen van Cézanne die door de blootstelling aan daglicht waren verkleurd.

Dat nu, na dertig jaar, het Labyrint wordt gerenoveerd is deel van een nieuwe aanpak. In het dak wordt nu uv-werend en lichtfilterend glas geplaatst. De vloerverwarming wordt vervangen door wandverwarming. Omdat alle kunstwerken een vaste plaats hebben en er nooit gespijkerd of geboord hoeft te worden, kan men precies de positie bepalen van de slangen in de wanden.

Een ander paviljoen is al gerenoveerd: daar in de Schnecke – de Slak – ervaren we koelte in de hoge ruimte met tekeningen en sculpturen. Er zijn daar, vertelt Boehm, al waterslangen in de wanden aangebracht.

Hoe heet het kan zijn merken we als we het grotere Twaalf-Zalen paviljoen betreden, dat nog aangepakt gaat worden; het is er broeierig heet rond de werken van Rietveld, de speelse mobiles van Calder – stilstaand in de hitte – en de schilderijen van Norbert Tadeusz.

Op een enkele plaats is het stucwerk van de muren gevallen. Maar niets doet af aan de overweldigende ervaring om in dit landschap te vertoeven, al zijn mijn dochters teleurgesteld dat de cafetaria niet eens een broodje gezond of tenminste een tosti aanbiedt.

Het is een rustige dag, met niet al te veel bezoekers, en we hebben kunnen zien dat de natuur groter is geworden, wilder en voller, dan in die jaren ­negentig. De buxushagen zijn hoog opgeschoten, hoge sleedoorn- en vlierbessenstruiken omranken het cafetariapaviljoen, het bomenbestand is rijk met kornoeljes, acacia’s, esdoorns en Italiaanse populieren. Het is een edele, louterende omgeving en die loutering raakt ook de bezoeker aan. Er zijn koude winterdagen met soms maar één bezoeker. (Ik zou willen dat ik die bezoeker was.)

Geen vandalisme of verstoring

Maar op zonnige zondagen in het voor- en najaar, trekt het park wel 1200 mensen, en ofschoon die bezoekers helemaal onder elkaar zijn, en zonder informatie, begeleiding of suppoosten alleen staan tegenover de kunst en de natuur, is er nooit sprake geweest van vandalisme of verstoring. Insel Hombroich is een beschavingswonder.

Overigens liet Müller niet alleen een park na dat onveranderd moet blijven; ook kocht hij een tweede areaal een kilometer verderop, waar zich een verlaten militair terrein bevond met een rakettenstation, een lanceerinrichting van de Navo. Ook daar werden tussen de stalen barakken paviljoens gebouwd, door beroemde architecten als Alvaro Siza en Tadao Ando.

Nu is het terrein voor experimentele kunst en performances, waar kunstenaars wonen en dichters, zoals de veel bekroonde Oswald Egger. Doorgaans, zegt Frank Boehm, zijn er voor de Insel en voor het raketstation verschillende bezoekersstromen. Het mooie aan dat station: je kunt er op aanvraag ook verblijven. Hombroich: ga het zien, vergeet het nooit, en vertel het niet verder.

Langen Foundation
In de onmiddellijke omgeving van de Stiftung Insel Hombroich en meer bepaald het Raketenstation, vinden we de Langen Foundation.   Het betreft een stichting die de kunstverzameling van het Duitse echtpaar Viktor en Marianne Langen beheert. De Langens bouwden een vermogen uit in de naoorlogse Duitse vastgoedsector en belegde dit in kunstwerken.

In 2004 ontwierp en bouwde architect Tadao Ando bij het Museum Insel Hombroich te Neuss in Duitsland op de terreinen van een voormalige NAVO raketbasis een museum voor de Stichting Marianne Langen. De daarin ondergebrachte kunstcollectie, een legaat van de toen 90-jarige mevrouw Marianne Langen, bevat historische Japanse kunst (met schilderingen en kalligrafie op zijde en papier van de 12e tot de 18e eeuw) en kunstwerken uit de 20e-eeuwse Europese kunst, waaronder de Der Blaue Reiter-figuur Wassili Kandinski, de Russische constructivist Vladimir Tatlin, de beeldhouwer Constantin BrancusiAlexander Calderop-art en popartminimal art en arte povera.

In dit superbe gebouw van Tado worden ook tijdelijke tentoonstellingen georganiseerd. Met Middelheim Promotors bezochten we er in 2015 de magische tentoonstelling van Olaf ELIASSON met werken uit de befaamde Boros Collectie. 

Vandaag worden in de ruimtes werk gebracht van twee Koreaanse kunstenaars, Park Seo-Bo (*1931) en de jonge Minjung Kim (*1962). Park Seo-Bo krijgt  bij deze zijn eerste grote solo-tentoonstelling in Duitsland . Deze kunstenaar geldt als een van de belangrijkste persoonlijkheden van de hedendaagse Koreaanse kunst en als de vader van de “Dansaekhwa”-Beweging (Korean Monochrome Painting). Gezien zijn leeftijd behoort hij natuurlijk tot die generatie die sterk werd beïnvloed door de Koreaanse oorlog (1950-1953) waardoor het land in een zuidelijke en een noordelijk deel werd opgedeeld. 

Skulpturenhalle der Thomas Schütte Stiftung

Tenslotte vinden we in dezelfde omgeving een laatste indrukwekkend gebouw: een tentoonstellingsruimte voor beelden naar idee en plannen van de grote Duitse kunstenaar-beeldhouwer Thomas Schütte. Een meer gedetailleerde inleiding op dit weer schitterende gebouw die deze  Skulpturen Halle zeker is, vindt u verder. Dit gebouw dat behoort tot de Thomas Schütte Stiftung is onze eerste bestemming waar we de grote retrospectieve tentoonstelling Bernd Lohaus bezoeken.

 

De retrospectieve Bernd LOHAUS (Düsseldorf1940 – Antwerpen5 november 2010)

 

Bernd Lohaus studeerde van 1963 tot 1966 aan de Kunstacademie Düsseldorf, waar zijn mentor Joseph Beuys was. Samen met PanamarenkoHugo Heyrman en Wout Vercammen gaf hij van 1964 tot 1965 het tijdschrift Happening New uit. Tijdens een verblijf in Spanje leerde hij de kunsthistorica Anny de Decker kennen. Ze trouwden in 1966 en verhuisden naar Antwerpen, waar ze in hun woning de avant-garde-galerie Wide White Space Gallery oprichtten, waar in 1966 Marcel Broodthaers en in 1967 Joseph Beuys tentoonstelden. Ook Panamarenko kon er zijn werk tonen. De galerie bestond tot 1976.

Het werk van Lohaus behoort aanvankelijk tot stromingen zoals postminimalisme en anti-form. Lohaus onderzoekt diverse, onconventionele materialen en hun mogelijke relaties. Plakband, papier, canvas, houten balken, verf en touw maken zijn ingrepen uiterst hybride. Ze situeren zich ergens tussen schilderij, sculptuur en installatie. De voorwerpen nestelen zich in clusters of vlijen zich aan tegen de wanden en de vloeren van de tentoonstellingsruimte. Uit deze veelheid aan verschijningsvormen kristalliseert zich geleidelijk een meer uitgepuurde vormentaal.

Lohaus concentreert zich onder meer op het installeren en combineren van zware houten balken, doorgaans afkomstig uit de havenindustrie. Die suggereren nog een band met hun natuurlijke oorsprong, maar roepen met hun geometrische vormen en sporen van slijtage ook associaties op met geschiedenis en vooruitgang. Door het toevoegen van ingekraste of met krijt aangebrachte woorden krijgen deze stomme restanten een tekstuele gelaagdheid. Meestal zijn het contextloze voorzetsels, voornaamwoorden of werkwoorden.

 

Lohaus in Middelheimmuseum

Het belangrijkste werk van Lohaus in Middelheimmuseum is zijn bijdrage aan de tentoonstelling ‘Nieuwe Beelden’ (1993):

Een monumentale, liggende sculptuur uit 1993, die zich perfect integreert in het glooiende parklandschap van Middelheim-Laag. De balken die elkaar gedeeltelijk ondersteunen, lijken een ruimte af te bakenen, maar tegelijkertijd een richting aan te wijzen. Met hun getaande huid en hun donkere coloriet vallen ze amper op in de omgeving en lijken ze er al decennia thuis te horen. Als een geometrische structuur die geleidelijk aan terugkeert naar zijn organische oorsprong.

Niet voor niets een van de topstukken van het museum.

Bernd Lohaus in Skulpturenhalle

Biographie

Bernd Lohaus wurde 1940 in Düsseldorf geboren. 1960–1962 machte er eine Lehre im Bildhaueratelier Isenmann, Düsseldorf, und 1963 begann er das Studium der Skulptur bei Joseph Beuys an der Kunstakademie Düsseldorf. 1964 hielt er sich über ein halbes Jahr in Madrid auf. 1966 siedelte Lohaus nach Antwerpen über, wo er zusammen mit seiner Frau Anny De Decker die Wide White Space Gallery eröffnete. In Antwerpen arbeitete Lohaus bis zu seinem Tod 2010 an Skulpturen aus Holz, Seilen und später auch Stein; daneben entstanden Zeichnungen und Aquarelle. Lohaus zeigte seine erste Einzelausstellung 1965 in der Asociación Cultural Iberoamericana in Madrid, die er mit einer Aktion eröffnete. 1966 führte er zusammen mit Hugo Heyrman und Panamarenko in Antwerpen weitere Aktionen durch und stellte gemeinsam mit ihnen in der Wide White Space Gallery aus. 1979 fand die erste Museumsausstellung im Van Abbemuseum in Eindhoven statt, gefolgt 1980 von einer Ausstellung im Kunstmuseum Düsseldorf. 

Retrospektiven zeigten 1985 der Palais des Beaux-Arts in Brüssel, 1987 das Museum van Hedendaagse Kunst in Gent, 1988 die Chapelle des Carmélites in Toulouse und das Museé d’Art Moderne in Villeneuve-d’Ascq, 1995 das Museum van Hedendaagse Kunst in Antwerpen, 2005 das S.M.A.K. in Gent und 2013 das Musée des Arts Contemporains in Grand-Hornu. Lohaus nahm an zahlreichen Gruppenausstellungen teil, so 1968 an Prospect 68 in der Kunsthalle Düsseldorf, 1970 an Jetzt: Künste in Deutschland heute in der Kunsthalle Köln, 1973 an Eine Malerei-Ausstellung mit Malern, die die Malerei in Frage stellen könnten in Paris, Mönchengladbach und Antwerpen, 1987 an Brennpunkt Düsseldorf im Kunstmuseum Düsseldorf, 1992 an der Documenta IX in Kassel, 1993 an New Sculptures im Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim, 2016 an der Präsentation der Sammlung Pinault in der Punta della Dogana in Venedig.

As his early carved sculptures show, Bernd Lohaus is rooted in the sculptural tradition of working with wood and stone, which lived on through artists from Ewald Mataré to Joseph Beuys right up until the 1960s. Instead of carving and hewing the material, however, Lohaus processed it by means of making succinct interventions in the rough beams in ways that charged them with expressive tension. Lohaus, who worked in Antwerp, found his material – wooden beams and ropes – at the port. Rolling, unrolling and knotting ropes are acts that result in a visible structure. As a supporting element, the rope takes on its form through its interaction with wooden loads. For Lohaus, the task of sculpture meant working with the material – propping, leaning or stacking beams that were not affixed to one another, but loosely combined. The beams lie side by side or on top of one another, or are propped against a wall. Lohaus gave careful consideration to their position and to the point at which they engaged with the space. The wedge­shaped pieces are crucial; slipped under a beam to lift it slightly so that its weight would become tangible, creating a fragile situation. Lohaus would often add individual words to his sculptures to create linguistic relations between elements. Through the subtlety of detail in his sculptures, it becomes clear how he also found an adequate means of expression for his attentive eye in his watercolours of flowers. Using pallets, slatted crates and cardboard boxes, Lohaus created model­like sculptures in which both the form and the material were fixed by wax. Two bronze­cast pallets are displayed in the outdoor space. Here, too, there is a wayside sculpture made of stones that have been minimally hewn and which instead take on their meaning through their positioning and the words chiselled into them.

Dieter Schwartz, curatot van de tentoonstelling:

Wie dies seine frühen geschnitzten Skulpturen zeigen, ist Bernd Lohaus in der bildhauerischen Tradition, der Bearbeitung von Holz und Stein, verwurzelt, die von Ewald Mataré über Joseph Beuys bis in die 1960er Jahre fortlebte. An die Stelle des Schnitzens und Behauens tritt bei Lohaus das Handeln mit dem Material, knappe Eingriffe in die groben Balken, um sie mit expressiver Spannung aufzuladen. Sein Material fand Lohaus, der in Antwerpen arbeitete, am Hafen – Holzbalken und Seile. Das Ab- und Aufrollen, Verknoten von Seilen sind Tätigkeiten, aus denen eine sichtbare Struktur entsteht. Als tragendes Element erhält das Seil seine Form im Zusammenspiel mit Holzlasten. Für Lohaus bedeutete skulpturale Arbeit Handeln mit dem Material – das Aufrichten, Anlehnen, Aufschichten von statischen Balken, die nicht aneinander befestigt, sondern lose zusammengefügt sind. Die Balken liegen nebeneinander oder aufeinander, sie werden an die Wand gelehnt. Vorsichtig bedachte Lohaus ihre Position, den Moment, da sie mit dem Raum in Berührung geraten. Entscheidend sind die keilförmigen Teile, die unter einen Balken geschoben werden, um diesen leicht anzuheben, so dass sein Gewicht wahrnehmbar wird und eine fragile Situation geschaffen wird. Oft fügte Lohaus den Skulpturen einzelne Wörter hinzu, um damit sprachliche Beziehungen herzustellen. Die subtilen Details der Skulpturen lassen begreifen, dass er in Blumenaquarellen einen ebenso adäquaten Ausdruck für seine Aufmerksamkeit fand. Aus Paletten, Lattenkistchen und Pappschachteln schuf Lohaus modellartige Skulpturen, die mit Wachs materiell und formal gefestigt sind. Zwei in Bronze gegossene Paletten sind im Außenraum aufgestellt. Hier findet sich ferner eine Skulptur aus Steinen am Wegesrand; sie sind kaum behauen und erhalten durch ihre Position und die eingemeißelten Wörter ihre Bedeutung.

HET VISSERSHUISJE VAN BERND LOHAUS, Vrijbuitersplek aan de Schelde

De Standaard, zaterdag 13 juli 2019

Kloeke balksculpturen waren zijn handelsmerk. Maar in zijn buitenplek aan de Schelde in Weert tekende Bernd Lohaus bloemen en schreef hij poëzie. ‘De zomer stond voor hem in het teken van de tuin en de natuur.’ GEERT VAN DER SPEETEN

 

‘Op minder dan een halfuur van Antwerpen belandden we in een andere wereld’

Lohaus’ eerste houtsculptuur uit 1966, met drie balken die taps toelopen, heette Weert. De Decker: ‘Telkens als er boten te water geladen werden, kwamen er op de Boelwerf balken mee. Ze spoelden aan de overkant aan. Jonge waaghalzen haalden ze eruit en verkochten ze voor een prikje. Ze lagen dan bij ons op de zolder te drogen.’ Bernd Lohaus was opgeleid als grafsteenkapper, maar hij hield vooral van de ruwheid van hardhout. Tweedehands hout, dat geleefd had en er de sporen van droeg. Hij kocht grote loten balken op, waar hij dan enkele geschikte exemplaren uitpikte om te laten verzagen. Een sculptuur kende een lang ontstaansproces. Stella: ‘Hij schikte en herschikte. Hij had tijd nodig om tot een juiste vorm te komen. Een sculptuur als Nur sleepte hij vijftien jaar mee van atelier naar atelier.’ Lohaus laadde de balken ook op met betekenissen, door er woorden in te kerven of met krijt aan toe te voegen. Ze verwijzen naar menselijke relaties, naar de dualiteit ervan.De balken zelf werden nooit gefixeerd. Elk onderdeel van Lohaus’ installaties behield zijn eigen karakter. Verder gebruikte hij wat hem aanwaaide. Behalve hout waren dat ook planken en touwen. Later doken steen en brons in zijn oeuvre op. Zijn werk past in een lange sculpturale traditie, zegt Stella Lohaus, maar ook bij de kunst van gevonden materialen. ‘Velen noemen het minimal. Maar Bernds kunst is gevoeliger. Het dichtst sloot hij aan bij de arte povera, maar hij voegde er een spanningsveld aan toe.’

 

De Duitse kunstenaar Bernd Lohaus, die in 2010 overleed, was verknocht aan rivieren. Hij verhuisde in de jaren 60 van de Rijn in Düsseldorf naar de Schelde in Antwerpen. Daar richtte hij met Anny De Decker de Wide White Space Gallery op. In 1977, toen de avant-gardegalerie sloot, schakelde zijn eigen carrière in een hogere versnelling. ‘De stroom trok hem aan’, zegt De Decker, die samen met de kinderen Jonas en Stella de Bernd Lohaus Stichting beheert. ‘Zijn ateliers waren vlak bij de Schelde, waar toen vooral oudijzerhandelaars en routiers actief waren. Vaak ging hij op de kaaien op een meerpaal naar het water zitten kijken.’ Ook in het minuscule vissershuisje in Weert, waar het gezin de zomermaanden doorbracht, was de Schelde vlakbij. De ‘stille waters’ zijn intussen een populaire recreatieplek, maar in de jaren 60 en 70 was het fietstoerisme nog onbestaande. Op de dijk schoten de brandnetels hoog op en graasden de koeien. Aan de andere oever gonsde de zeescheepsbouw van de Boelwerf van de activiteit. ‘Drie keer per dag klonk er een sirene voor een nieuwe shift.’

Het voormalige vissershuisje in Weert was ook een huisje Weltevree. De familie leefde buiten, in de grote tuin. ‘Het was echt een vrijbuitersplek’, zegt Anny De Decker. ‘Een jungle ook, waar alles snel groeide, maar waar je contact had met de natuur. Op minder dan een halfuur van Antwerpen belandden we in een andere wereld.’ Kunstvrienden als Philippe Van Snick, Marthe Wéry, Guy Rombouts, maar ook internationale vedetten als Richard Long, Lawrence Weiner, Daniel Buren en Carl Andre: ze passeerden in Weert voor een babbel. Een atelier was er niet, Bernd gebruikte alleen het stalletje. Anny: ‘Thuis hing er altijd kunst aan de muren, maar hier niet.’ De tuin, waar de lage pruimelaars al flink blozen, is intussen amper veranderd. Vier meerpalen verraden dat er ooit een tafeltje heeft gestaan. Aan een primitief werkblad zat Lohaus er in de zomermaanden bloemen te tekenen. Later volgden aquarellen en gouaches, puur voor het plezier. Over een periode van 45 jaar ontstond zo een bijzonder, maar weinig bekend nevenoeuvre. De amaryllis en de gladiool spelen er een hoofdrol in. Van voorzichtige, fragiele waarneming evolueerden de tekeningen naar bladen met krachtige kleuren. In 2012 werden ze samengebracht in een boek en een tentoonstelling. Stella: ‘Enkele bladen waren eerder getoond, maar ze vielen niet op tussen de sculpturen. De aparte presentatie was voor velen een revelatie.’ Na Lohaus’ dood was het een hele klus om het beeldend werk, dat zoekend en intuïtief tot stand was gekomen, in kaart te brengen. Zo’n zeventig sculpturen stonden gedemonteerd in het atelier.

Bernd Lohaus schilderde bloemen in zijn tuin. Stella: ‘De eerste taak was om sculpturen van werkmateriaal te scheiden – dat laatste bedroeg zowat 80 procent van het geheel. Een andere zaak was de reconstructie. Geen twee balken in Bernds oeuvre zijn gelijk. Vaak was het een echte puzzel, met constructies die makkelijk 500 kilo wegen. Gelukkig was elk werk met degelijk fotomateriaal gedocumenteerd.’ Een oeuvre ontsluiten is ook: het zichtbaar en consulteerbaar maken. Dat gebeurt via de website en via een monografie die deze herfst verschijnt. In de Skulpturenhalle van bondgenoot Thomas Schütte komt er dit najaar een tentoonstelling. Stella Lohaus besliste al in 2011 om haar eigen galerie te sluiten en de artistieke nalatenschap te inventariseren. Alle aandacht ging ernaartoe. Ze heeft er geen spijt van. ‘Bernds kunst in de aandacht houden: het is traag werk. Maar het kon niet anders dan grondig gebeuren.’