Op gedichtendag 2018, 25 januari, nam de nieuwe stadsdichter Maud Van Hauwaert de fakkel over van Maarten Inghels. Maarten Inghels was gedurende de twee jaar dat hij stadsdichter was in residentie in Middelheimmuseum. Directeur Sara Weyns nam op passende wijze afscheid van haar “gast” ter gelegenheid van het verschijnen van zijn nieuwe boek “Contact”.


Dag Maarten, gefeliciteerd met uw nieuw boek.
Heel erg bedankt ook aan jou, en aan de uitgever voor de uitnodiging om hier vanavond te mogen spreken.
Ik vertel u met plezier iets over de residentie die Maarten de afgelopen 2 jaar als een embedded dichter in het Middelheimmuseum heeft doorgebracht.

Toen Maarten Inghels zijn intrek nam in het bootshuisje in het Middelheimmuseum, leek dat te gebeuren als een voorziene stap in een duidelijk uitgezet plan. Hij kende het museum goed, en hij had al in de interviews bij zijn aanstelling gealludeerd op de wens of mogelijkheid bij ons op bezoek te komen voor een bepaalde of onbepaalde tijd.

We hoefden hem alleen nog formeel uit te nodigen, de deur openen, de sleutel overhandigen.
Liever geen orchideeën op de vensterbank.
Onze eerste indruk was er een van vastberadenheid. Hij had de uitnodiging noch de opdracht van het stadsdichterschap lichtzinnig aangenomen, zoveel was duidelijk. In de eerste gesprekken bleek dat hij gefascineerd was geraakt door de vraag hoe je poëzie een deel kan laten zijn van het leven in een stad, zowel mentaal als fysiek.
Maar er bleek ook uit dat hij een duidelijke visie had over de limieten daarvan.
En dat er nog heel wat onopgeloste vragen waren met nood aan tijd, ruimte en eventueel wat gesprekspartners om die te beantwoorden.

Ik kreeg de indruk dat hij met resolutie op zoek ging naar iets waarvan hij nog niet wist hoe het waargenomen kon worden.

Residenties lenen zich uitstekend voor die beweging: ze vereisen dat je je bekende omgeving verlaat, nieuwe paden exploreert. Tegelijk voorkomen ze verdwalen: de vooraf gemaakte afspraken fungeren als cordee (voor de beganegrondbewoners onder u: cordee is het touw waar bergbeklimmers zich aan vasthechten om niet naar benden te donderen. En hoewel wij nooit eerder een dichter in huis hadden gehad, heeft het Middelheimmuseum wel veel ervaring in het begeleiden van een dergelijk artistiek proces.

Om maar te zeggen: we waren blij met zijn komst.
Als we eerlijk zijn, was er toen misschien toch ook sprake van wat onschuldige romantische verwachtingen, bij alle betrokken partijen. Voor de dichter: een schrijvershut in het groen, omringd door kunst en water, met een bibliotheek aan de vingertoppen, afgelegen van de aardse verleidingen van het centrum (met de juiste dosis ontbering, want in de winters ijskoud). Voor de stad Antwerpen als opdrachtgever: de harmonieuze omgeving inspireerde misschien harmonieuze poëzie. En ook wij van het museum hadden hoge verwachtingen, want Maarten had twee aantrekkelijke metaforen aangereikt voor zijn verblijf, die ik u niet zal onthouden.

Op de eerste “werkdag” in zijn schrijfkamer richtte hij een brief tot de toezichters in het museum. Daarin liet hij weten wat zij mochten verwachten: (ik citeer) “De vis en de dichter: twee gezelschapsdieren voor de prijs van één”. De vis bij de boter, kregen de toezichters een zwartgevlekte Koi-karper cadeau. Foto Koi
In diezelfde brief introduceerde Maarten het historische fenomeen van de tuinkluizenaar: een acteur, ingehuurd door landgoedeigenaars om een mystieke wijsheid uit te stralen en de gasten te vermaken met zijn mensenschuwheid. Een verwilderd uiterlijk, met baard en lange haren en een soort kap hoorden bij de rol. Zoals Maarten het beschreef: “De CEO van de 18de eeuw kon zijn melancholie uitbesteden.” U snapt dat ik geïntrigeerd was.
Al snel bleek Maarten echter volkomen ongeschikt als gezelschapsdier, kluizenaar of tuinkabouter. Te proper op zichzelf en te weinig ornament. Te weinig zwijgzaam ook. Maar vooral te weinig honkvast.
In de afgelopen twee jaren is Maarten opvallend marsvaardig gebleken. Dat zoeken naar de plaats van de kunstenaar en van de poëzie in het leven van de stad, kreeg de vorm van een afwisselend inzoomende en uitzoomende beweging.
Naar de bron van de Schelde, en terug.

Naar de bestemming van een containerschip uit de haven, en terug.
Zwervend door de stad, vanuit en weer terug naar het Middelheimmuseum.
Dat verblijf daar werd een spel met het aanwezig- en afwezig zijn, met het beschikbaar of onbeschikbaar zijn van de dichter.

Het kaartje met telefoonnummer en de volksbevraging suggereerden iets gelijkaardigs: iets als “ik nodig u uit om contact op te nemen. Ik wil dingen van u weten.” Maar een antwoordapparaat en een postbus zorgen ook voor afstand, voor uitstel van antwoord.

Die ontsnappingskunsten in het schrijven gingen gepaard met een uitbraakpoging uit de vorm van de gedichten zelf. De mogelijkheden voor nieuw werk bleken te zitten in uitvoeringen die niet van de dichter verwacht werden, in de route die nog niet gesurveilleerd werd. Er doken gedichten op in jaszakken, weggemoffeld in een vestiaire. Er dook poëzie op in de vitrines van nachtwinkels. Vonkte tussen twee duiven in vlucht. Dichtregels groeiden in parken, tot ze werden weggevreten door konijnen. Of ze gloeiden op in vlammen, tot ze werden gedoofd door omstaande veiligheidsverantwoordelijken. Foto Gloriette

De dichter zag steeds scherper dat een werk in de publieke ruimte niet monumentaal van gedaante moet zijn om verbindend te werken, of relevant over en voor het leven in de stad. En zijn eigen betrokkenheid hoefde geen totale dienstbaarheid te betekenen.

Het werd een verkenning van de ruimte tussen publieksparticipatie en de autonome vrijheden van de kunstenaar. Tussen een opdracht krijgen en een opdracht nemen.
En dan – gek hoe dat gaat- hoe meer de projecten zich loszongen van vaste plekken, dragers en strategieën, hoe meer er behoefte kwam aan een spoor, een geheugen. En dan blijkt een boek, gewoon een boek, een uitstekende vehikel. Met in dit geval als voorwaarde: het mocht géén overzichtswerk worden van stadsgedichten, geen finale opsomming. Het moest een boek worden als een tunnel voor een haas: waarin al nieuwe bochten gegraven worden, routes verkend, nieuwe ontsnappingen voorbereid. Ik heb het boek gisteren mogen ontvangen, en dat lijkt me alvast gelukt.

U zal het straks zelf ook kunnen beoordelen.
Maarten, dank voor je gezelschap én voor het gebrek daaraan. Tot binnenkort!